Op 12 mei 1736 werd door rijksgraaf Von Seckendorf, commandant-generaal van het keizerlijk leger in Aken, de eerste steen gelegd van de Lutherse kerk. Het ontwerp werd gemaakt door ingenieur-majoor Von Littig. De inwijding vond plaats op 1 december 1737. Tot 1955 had het gebouw de functie als kerk.
De centraalbouw moest zo weinig mogelijk op een kerk lijken
aan de buitenkant. De Lutherse kerk genoot in die tijd nog weinig erkenning
en men wilde geen aanstoot geven aan de R.K. Staatskerk.
Het
bakstenen gebouw heeft de vorm van een vierkant blok met afgeschuinde hoeken.
Het met leien bedekte tentdak, waarin vier getoogde dakkapellen zijn aangebracht,
heeft een windvaan als bekroning. Het gebouw heeft rechthoekige vensters die
in twee rijen boven elkaar geplaatst zijn. Voor de plint, de hoekblokken en
de omlijstingen met samengestelde sluitstenen zijn uitgevoerd in de stijl van
Akense architect Laurenz Mefferdatis. De houten kruiskozijnen van de vensters
zijn gevuld met glas-in-lood en werden in 1937 gedeeltelijk gerestaureerd.
Oorspronkelijk had het gebouw drie ingangen. De hoofdingang ligt aan de zuidkant.
De vier treden van de trap zijn uitgevoerd in Naamse steen. Boven de ingang
aan de oostzijde bevindt zich een steen met diverse inscripties. Links van de
ingang ligt de toegang tot een grafkelder, die afgedekt is met een plaat. De
derde ingang, tegenover het Huis Clermont, werd later veranderd in een venster.
Het gebouw onderging diverse restauraties: in 1893, 1937/38, 1967/68 en 2001.
Sinds 1968 vervult het de functie van cultureel centrum.
Het
regelmatige binnenoctogoon wordt gevormd door ronde, hoge kolommen met achthoekige
basementen en Dorische kapitelen in Naamse steen, een geprofileerde architraaf
en een achtdelig stucgewelf. De omgang en de galerij hebben eenvoudig gestucte
plafonds.
Het ontwerp van de kansel in Régencestijl en de altaarnis
is van de Akense architect Johann Joseph Couven. Zij zijn in houtsnijwerk uitgevoerd.
De gesloten herenbank links van de kansel is uitgevoerd in Lodewijk XV-stijl.
De schuiframen zijn van glas-in lood voorzien. De herenbank heeft een getoogde
kroonlijst met een uit hout gesneden cartouche met de wapens van Johann Arnold
von Clermont en Maria Elisabeth Sophie Emminghaus. De familie von Clermont woonde
van 1765 tot 1795 in het stamhuis; het huidige gemeentehuis. Rechts van
de kansel bevindt zich de open, overkapte herenbank van de familie Pastor. Deze
wordt bekroond door een cartouche met het wapen van de familie Pastor, gedragen
door twee putti. De bank is, evenals de zes stoelen, in Lodewijk XV-stijl uitgevoerd.
Het
gesloten
gestoelte tegen het in de 19de eeuw aangebrachte tochtportaal heeft gerasterde
schuifdeuren, een getoogde kroonlijst en een bekroning van houtsnijwerk. De
betekenis van dit gestoelte is geheel bekend. Er wordt verteld, dat een melaatse
kluizenaar hier de dienst bijwoonde. Een ander verhaal vermeldt, dat het gestoelte
bestemd was voor Lutheranen die niet gezien wensten te worden als zij de diensten
bijwoonden.
In 1759 werd de opdracht voor het Barokorgel gegeven aan Johann Baptist Hilgers. Pas in 1762 werd met de bouw begonnen. Voltooid werd het orgel in 1765, waarschijnlijk gelijktijdig met veranderigen aan het oorspronkelijke interieur. Het orgel telt 11 registers. De speeltafel bevat twee manualen en heeft een klein pedaal. Het orgelfront is uitgevoerd in houtsnijwerk in Lodewijk XV-stijl. Van bladgoud voorzien ornamenten omlijsten de tinnen frontpijpen. Het orgel werd diverse malen gerestaureerd. De laatste restauratie vond plaats in 1968 door de Orgelbau-Anstalt Sankt Willibrord uit Merkstein/Aken, Duitsland.
Naam De Kopermolen
De naam van het gebouw is ontleend aan een vroegere kopermolen, waarvan het voorste gedeelte in 1736-1737 plaats moest maken voor de veel grotere Luthers-Evangelische kerk. De molen werd aangedreven door de waterkracht van het (nu ondergrondse) stroompje "de Gau". Waarschijnlijk was zij eigendom van Jordan Peltzer, die hier omstreek 1595 een molen in bedrijf had. Uit oude plattegronden valt af te leiden, dat zich tussen het gebouw en de ernaast gelegen koperhof een langgestrekte binnenplaats bevond. De kopermolen heeft zeer waarschijnlijk aan de westkant van de binnenplaats gestaan, in de richting van het huis Clermont. In 1966 werden de achter de kerk gelegen bebouwingsresten gesloopt, behalve de fundering van het onderste muurwerk.